je oma / karakter / interview

“Aan haar natte zoen, elke keer als we toekwamen en als weer vertrokken. Een zoen vol overgave, waarbij ze haar vochtige, getuite lippen op de wang duwde, net naast de mond. Een oorverdovende smak. Ook: de smaak van het snoepje dat we kregen bij het afscheid, een jabbeke of een Napoleonbol.”

“Ze had een hemelse schrik om haar verstand kwijt te raken. Daarom oefende ze haar brein door elke week het kruiswoordraadsel van de TV-Expres op te lossen. Het lukte haar elke keer.”

“Ofwel maakte ze frikadellen met kriekjes bij de zondagse pistolets, ofwel kaaskroketten. Ik hoopte altijd op die laatste. Geen chef heeft ooit haar smeuiigheid geëvenaard. Peterselie erbij, en een schijfje citroen. Als ik vandaag, 22 jaar na haar overlijden, een citroen snij en de scherpe geur klimt omhoog mijn neus in, zo klimt ook de herinnering aan de zondagmiddagen in haar huis in mijn bewustzijn.”

“Wat ze had willen worden mocht ze nu leven. In een tijd waar vrouwen meer kansen hebben dan in haar tijd. Haar lot was huisvrouw zijn: koken, poetsen, wassen, kinderen opvoeden. Een volle dagtaak, dat wel. Maar had ze diep vanbinnen iets anders willen doen? Dat zou ik haar vragen.”

“Goede vraag. Ik denk dat ze schoolresultaten belangrijk vond. Voeten vegen als je binnenkomt. Ze sprak de ouders van mijn moeder aan als mevrouw en meneer.”

“Haha. Als ze met mijn vader ging eten stak ze haar vork elke keer ongevraagd in zijn gerecht. De woorden: ‘Mag ik eens proeven?’ kwamen pas als de gevulde vork al in haar mond verdween.”

“Ooit zate ik met mijn broer en mijn zus in de auto terwijl mijn vader reed. Een andere wagen botst op ons. Mijn vader vloekte. Hij bracht ons, gelukkig ongedeerd, naar haar, zijn moeder, die vlak bij de plek van het ongeluk woonde. Zij bracht ons wat later naar mijn andere grootouders, een straat verder. Nog altijd vraag ik me af waarom we niet bij haar konden blijven.”

“Een permanent. Een bril met dikke blazen. Doorzichtige kousen en pantoffels. Een schort. Een moeizame gang. Ik heb uren in haar tuin gevoetbald, maar zelf heb ik haar nooit in de tuin gezien. Haar plek was aan tafel, haar bezigheid was praten. Over die ene familie wat verderop in de straat, over haar zus, over de pastoor. Nooit viel ze stil.”

“Pa, noemde ze hem. Hij was mijn peter. Hij zat niet mee aan tafel, maar in een stoel wat verderop. Met altijd wel een wolk sigarenrook rondom hem. Hij zweeg vooral.”

“Je best doen op school. Een dag niet lachen is een dag niet geleefd. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Als ik er zo over nadenk: de enige momenten dat ik haar niet thuis heb gezien was als ze bij ons thuis langskwam voor een verjaardag. Ik weet niet hoe ze was in een winkel, in een stad, bij vriendinnen. Misschien was ze dan wel helemaal anders?”