‘Kutwijf, heb je geen diploma gehaald of zo? Ken je niet rekenen, halve debiel. Een beetje geld verdienen over de rug van de klant heen, en dan laat je mij de hoofdprijs betalen. Ik heb verdomme maar drie artikelen op de klote plakkerige loopband van je gelegd. Je bent nog te beroerd om de jamvlekken, die je waarschijnlijk zelf hebt veroorzaakt, weg te halen. Te beroerd om een potje jam goed in je klauwen te houwen jij, sodemieter toch op. Ik dacht dat deze supermarkt bekend stond om goed opgeleid personeel, maar dat blijkt een sprookje te zijn. Godverdegodver…’
Verbaasd keek Laura naar de man die met een rood gezicht zijn gore adem in haar gezicht joeg. Ze voelde ze hoe haar oren zich wilden sluiten en hoe ze haar ogen liever afwendde naar de pakjes kauwgom die zich aan de andere kant van de kassa bevonden. Wat was dat voor gek, dit had ze nog niet mee gemaakt de afgelopen periode. Ze begon het werk net een beetje leuk te vinden, herkende dagelijks terug kerende klanten, had vaak een praatje met hen als de band hun artikelen naar haar toe vervoerde. Hij leek een beetje op de oom, waar niemand in haar familie meer iets mee te maken wilde hebben. Misschien was hij het wel, ze zag een cirkelvormig litteken in zijn linkeroor, ze zag de gelaatstrekken van haar moeder opeens duidelijk terug. Wat dacht hij wel, om hier een beetje de boel te verzieken, de aandacht van de chef op haar te richten. Ze had zijn blik haar kant op al gezien, en tot haar opluchting ook het ‘onthoofdingsgebaar’ dat hij haar samen met een knipoog toewierp. Ze voelde haar kans en greep hem.
‘Jij klootzak, idiote Ivar, erfenis jager, botte klootzak, wil jij eens effe lekker oprotten. Weg jij, je boodschappen haal je maar elders, ga maar vissen, zoals je zo graag doet. Maar dan in de sloot en niet hier in de winkel, jij die altijd aandacht nodig hebt, verwend lui moederskind….’
In de verte zag ze de ogen van haar chef groot worden, maar niets kon haar meer tegen houden, al zou het haar baan kosten. Ze ging door, met woorden die zelfs op papier niet willen hechten, totdat het doodstil werd in de supermarkt. Iedereen keek naar haar en haar klant.
Toen twee politie agenten naar haar kassa beenden priemde haar wijsvinger richting haar oom, ‘neem die maar mee’ zei ze rustig en op zachte toon. En zo gebeurde. Het geroezemoes in de supermarkt nam even toe, waarna de lopende banden hun gang weer gingen. De rij bij Laura ’s kassa was tijdelijk wat langer dan bij haar collega’s, de klanten keken haar bewonderend aan, totdat het leven zijn gewone gang weer ging.